Bron: Zoom.nl / Jasper van Bladel

Autofocus is niet meer weg te denken uit het leven van de moderne fotograaf. Tot een jaar of dertig geleden was het heel normaal om altijd handmatig scherp te moeten stellen. Sindsdien doet de autofocus dat voor ons. Steeds weer een stukje beter, want de hedendaagse autofocus-systemen zijn natuurlijk veel beter en sneller dan die van jaren geleden. Hoe haal je nu alles uit zo’n systeem?

Anno 2020 zijn er ontzettend innovatieve en high-tech autofocus-systemen te vinden in de meeste camera’s. Het niet nodig om alle uithoeken van zo’n autofocus-systeem te gebruiken, het gaat er om dat je in de voor jou belangrijke situaties scherpe foto’s maakt. De belangrijkste tip is dan ook: zorg dat je weet hoe het af-systeem van je camera in de basis werkt en – misschien nog wel belangrijker – zorg dat je weet welke instellingen je het beste kunt gebruiken voor de foto-situaties waarin je doorgaans terechtkomt.

Het belangrijkste onderscheid dat er te maken is bij de instellingen van je autofocus-systeem is dat tussen enkelvoudige autofocus en continu-autofocus. Deze functies heten bij elke fabrikant verschillend (bij Nikon AF-S en AF-C en bij Canon Single Shot en ai-Servo) maar doen vrijwel hetzelfde. Verwar deze standen overigens niet met de verschillende ‘drive’ mogelijkheden die bepalen of je één foto of meerdere foto’s achter elkaar maakt.

Een wielrenner verschijnt ‘opeens’ in beeld en is daarom een uitdaging voor je autofocus-systeem

Enkelvoudige autofocus is geschikt voor situaties waarin het onderwerp niet beweegt en continu-autofocus juist voor onderwerpen die bewegen. Bij die laatste ‘lock’ je de autofocus op een onderwerp en wordt dat onderwerp scherp in beeld gehouden door het af-systeem. Als je deze twee modi door elkaar haalt kom je hoogstwaarschijnlijk in de problemen doordat de camera beweging verwacht bij een stilstaand onderwerp en de bewegingen van een dynamisch onderwerp mist doordat het systeem denkt een passief onderwerp te fotograferen. Resultaat: een onscherpe foto. Ben je daarom bewust van de aard van je onderwerp en kies daar de juiste autofocus-stand bij.

Veel moderne autofocus-systemen hebben uitgebreide tracking-mogelijkheden voor bewegende onderwerpen. Zo zijn er camera’s die op die manier ‘voorbereid’ zijn op bepaalde bewegingen, onderwerpen in de voor- of achtergrond of elementen die plots in beeld verschijnen. Hoe beter je de omstandigheden kent, hoe beter je de camera en het autofocus-systeem daar dus op kunt voorbereiden. Ga dus na welke bewegingen je kunt verwachten. Als die moeilijk te voorspellen zijn kun je het beste voor de meest ‘algemene’ modus gaan. Bestudeer in ieder geval de specifieke mogelijkheden van je eigen camera. In de handleiding vind je de uitleg over de verschillende standen. Probeer ze daarnaast ook in de praktijk en het liefst in situaties waarbij je het jezelf kan veroorloven om een keer ‘mis’ te schieten. Op die manier doe je ervaring op in verschillende situaties en weet je beter hoe je camera en het autofocus-systeem goede resultaten afleveren. Kortom: op die manier kom je niet voor verrassingen te staan als het er echt toe doet.

Een foto met zowel voorwerpen op de voor- als achtergrond kan verwarrend zijn voor de autofocus.

Geef een reactie