Bron: Photofacts – Michelle Peeters

En omdat de flitstijd zo enorm snel is, is je oog nauwelijks in staat om de intensiteit van de flits uit je flitser waar te nemen. Maar gelukkig zijn er mooie methodes bedacht om de hoeveelheid flitslicht precies aan je instellingen van je camera aan te passen.

Losse flitser
Door de flitser los van de camera te gebruiken ontstaat zijlicht en krijgt het model schaduw, diepte en vorm

Handmatige instelling

Een flitser heeft een vermogen dat wordt uitgedrukt in een richtgetal. Een hoog richtgetal betekent veel flitsvermogen. Een flitser met richtgetal 28 kan je onderwerp op een afstand van vijf meter met diafragma f/5.6 belichten (vijf meter x diafragma f/5.6 = richtgetal 28).

Tenminste als je de flitser op voluit (100%) laat flitsen. De meeste flitsers kun je handmatig instellen en op ‘voluit’, op een kwart of een zestiende vermogen. Een richtgetal is maar een leidraad.

Als je fotografeert (en flitst) in een ruimte met veel witte muren en plafonds valt er veel meer licht op je onderwerp dan wanneer je flits afgaat in een hoge en donkere ruimte.

Hard ingeflitst
Door de flitser wat te ‘plussen’ geeft deze veel licht. In dit geval wat teveel; de achtergrond wordt hemels wit!

Automatische instelling

De wat eenvoudigere flitsers kunnen naast handmatig ook automatisch ingesteld worden. Dat werkt via een ingebouwde lichtmeetcel.

De flitser vuurt een zogenaamde ‘voorflits’ af net voor de eigenlijke flits. Hiermee wordt de hoeveelheid licht gemeten die door je onderwerp wordt gereflecteerd. Je stelt je iso-waarde in en het gewenste diafragma en de flitser doseert vervolgens de juiste flitsintensiteit.

Die waardes neem je over op je camera. Dit werkt goed als je flitser op je camera zit. Maar dan nog kan de reportageflitser niet ruiken of je nou een groothoek of tele-objectief op je camera hebt zitten. En flitsen los van je camera werkt al helemaal niet.

Vroeger

In het analoge tijdperk had je een flitsmeter nodig. Nu is alles een stuk gemakkelijker en kun je meteen op je display en in je histogram je belichting checken.

Toch is het bij studiofotografie wel heel erg aan te raden om een flitsmeter aan te schaffen. Je kunt er niet alleen het bestaande licht mee meten, wat heel handig is als je langere belichtingen met bestaand licht gecombineerd met flitslicht wilt maken.

Maar je kunt bij meerdere reportage- of studioflitsers heel precies per flitser de lichtintensiteit meten en dus instellen. Flitsmeters meten het ‘opvallend’ licht, in tegenstelling tot de ingebouwde lichtmeter van je camera, die het ‘gereflecteerde’ licht meet. Dit is veel nauwkeuriger.

Indian summer
De camera stel ik altijd handmatig in, evenals de flitser. Door goed te kijken kun je snel beslissen of de flitser sterker of juist zwakker moet worden afgesteld

TTL

De belangrijkste eigenschap van TTL (Through The Lens) is dat het flitslicht door de lens wordt gemeten.

Je stelt je camera in op het gewenste diafragma, sluitertijd en iso-waarde en de gekoppelde flitser geeft precies de juiste flitsintensiteit af.

Dat maakt een TTL-flitser een ideaal werkpaard voor reportages of als je een zachte invulflits wilt. Of als je er nog niet zo handig mee bent.

Een groot nadeel van TTL is dat als je je compositie verandert, je flitser ook heel anders gaat reageren. Als je bijvoorbeeld uitzoomt, dan probeert de flitser bijvoorbeeld ineens de erg donkere achtergrond te compenseren. En dat heeft weer als gevolg dat je model op de voorgrond ineens overbelicht raakt.

Zowel je camera als je flitser hebben een automatische en een handmatige stand. Er zijn verschillende combinaties mogelijk tussen flitser- en camerastand die ik hieronder zal bespreken.

Girl with pearl earring
Door een flitser links van voren te richten op je model, creëer je een Rembrandt-verlichting

Camera op P-stand, flitser op TTL

Met je camera op de P-stand en je flitser op TTL kan je eigenlijk weinig gebeuren. Je camera meet het beschikbare licht, kiest een bruikbare iso-waarde, diafragma en sluitertijd en schakelt je TTL-flitser bij.

Als er weinig licht is zal je camera kiezen voor een hoge iso-waarde, anders gaat het flitslicht overheersen. Dit kan ruis veroorzaken. Omdat je geen invloed kunt uitoefenen op de sterkte van je flitslicht, is dit een veilige, maar niet erg creatieve instelling.

Camera op P-stand, flitser op Manual

Met deze stand heb je al wat meer creatieve mogelijkheden. Je camera kiest op basis van het bestaande licht vaak een bepaalde combinatie van diafragma, sluitertijd en iso-waarde.

Nu kun je de flitser een heel klein beetje mee laten doen door hem bijvoorbeeld maar op 1/16e van het totale vermogen te zetten. Nu krijg je een mooie invulflits. Toch is die P-stand niet echt de ideale setting voor een flitsfoto, ook al stel je de flitser in op Manual.

Niet alle flitsers geven je camera door dat je wilt gaan flitsen en zorgen dan bijvoorbeeld niet dat je sluitertijd binnen je flitssynchronisatie valt (meestal is dat een sluitertijd van maximaal 1/250e seconden).

Tegenlicht zonsondergang
Bij extreem tegenlicht kan een flitser je model perfect oplichten

Camera op Av- of A, flitser op TTL

Av of A staat voor diafragmavoorkeuze (semi-automatishe stand). Dit is een goede keuze als je graag controle wilt houden over je scherptediepte.

Bijvoorbeeld bij een portret met bestaand licht. Dit kan nog weleens misgaan omdat het niet met alle camera’s even makkelijk is om de TTL-flitsintensiteit te regelen.

Met de flits-belichtingscompensatie kan je vaak de hoeveelheid flitslicht nog wel afregelen. Maar als je steeds van compositie verandert zal de TTL flitsmeter steeds een andere waarde meten.

En dan zul je dus ook steeds je flitslichtcompensatie moeten aanpassen. Niet handig.

Camera op Av- of A, flitser op Manual

Als je met bestaand licht een serie portretten wilt schieten is diafragma-voorkeuze en een handmatig ingestelde invulflits een goede keuze.

Zorg er dan wel voor dat je sluitertijd die door je camera automatisch berekend wordt je flitssynchronisatie-snelheid niet overschrijdt. Verlaag eventueel je iso-waarde om onder die maximale sluitertijd (vaak 1/250e seconden) uit te komen.

Of gebruik high speed sync als je flitser en je camera dat ondersteunen. Maak eerst een aantal testfoto’s om te kijken of je de juiste flitsintensiteit te pakken hebt en vervolgens schiet je je serie.

Je hoeft je nu geen zorgen te maken over je compositie die dan weer eens wat ruimer en dan weer wat krapper is zodat je belichting steeds in de war gestuurd wordt.

Camera op Tv- of S, flitser op TTL

Tv of S staat voor sluitertijdvoorkeuze. Deze optie is bijvoorbeeld handig als je een heel lange sluitertijd wilt combineren met flitslicht dat je onderwerp bevriest.

Zo combineer je een rij rijdende auto’s en de lange streep lichtjes, veroorzaakt door de kop- en achterlampen van de auto’s, met een model dat in het donker langs de kant van de weg staat.

Richt je flitser op je model (flitser het liefst los van de camera, bijvoorbeeld op een statief). De korte flitstijd bevriest je model, ondanks de lange belichtingstijd van soms wel dertig seconden.

Je zult wel wat moeten testen met je flitsbelichtingscompensatie om tot een goede balans te komen tussen je bestaande en flitslicht.

Camera op Tv- of S, flitser op Manual

Als je een setup wilt doen zoals bij bovenstaande combinatie, dan is een handmatige flitsinstelling idealer.

Stel dat je bij zonsondergang het prachtige oranje en zachte licht wilt vastleggen, maar daarbij ook een model goed wilt uitlichten met een flitser. Het beste kan je dan de camera op statief zetten en eerste een tijdopname zonder flits maken.

Bekijk de belichting en check of die naar je zin is. Pas je belichting net zolang aan tot je histogram er perfect uitziet. Daarna plaats je je flitser op statief en richt je hem op je model.

Stel de flitsintensiteit handmatig in en test net zolang tot zowel je model als de achtergrond mooi in balans worden belicht.

Camera op Manual, flitser op TTL

Je camera zet je vaak in de handmatige stand (M) als het bestaande licht constant is of in een studio-omgeving, waar het licht natuurlijk ook niet verandert.

Je hoeft nu niet meer te vertrouwen op de belichtingsmeter van je camera. Het TTL-systeem heeft in dit geval niet veel voordelen. Het TTL-flitssysteem meet door de lens en zal dus erg afhankelijk zijn van je compositie.

Staat je model voor een donkere achtergrond, dan zal je flitser een grote flits geven om de donkere achtergrond te compenseren. En je model overbelichten. En als je inzoomt op je model, wordt daardoor je model ineens wel goed belicht door je flitser.

High key. low keyjpg
In de studio heb je alles onder controle en kun je heel precies zowel de belichting bepalen als de verlichting vormgeven

Zowel camera als flitser op Manual

Bij moeilijke lichtsituaties en gewone snapshots werkt TTL perfect. In de studio echter niet omdat je daar juist wel alles onder controle hebt. Je model, het bstaande licht, de achtergrond en je flitsers.

En dan wil je juist niet dat je flitser meer of minder flitscapaciteit afgeeft, omdat je jouw compositie even verandert. Als je bestaand licht in je studio helemaal weg wilt filteren kan je het beste de kortste flitssynchronisatietijd kiezen (meestal is dit 1/250e seconden).

Je reportageflitser gebruik je het liefst los, dus niet op de camera en je stelt hem handmatig in. Maak een paar testopnames en check je histogram om te zien of je het juiste diafragma hebt gekozen.

Wil je het heel precies meten, gebruik dan een losse flitsmeter die het opvallende in plaats van het gereflecteerde licht meet.

Heb je eenmaal alles ingesteld, dan hoef je je om je belichting helemaal niet meer druk te maken en kun je je volledig op je model concentreren.

Geef een reactie