Source: Photofacts / Michelle Peeters

Het begrijpen van algemene fotografische termen en definities is een cruciale eerste stap voor het verbeteren van je vaardigheden als beginnend fotograaf.

Fotografische begrippen Einstein

Heel veel fotoboeken en cursussen zijn immers doorspekt met technische, fotografische termen. Als beginner zul je deze (nieuwe) termen moeten toevoegen aan je woordenschat om een goede start te krijgen bij het beheersen van de basis.

Hieronder dan 25 algemene fotografische termen en definities die je als beginnend fotograaf zou moeten kennen:

1. Diafragma

Dit is de eerste algemene fotografie-term die je zou moeten leren. Simpel gezegd is het diafragma de grootte van de opening in je objectief. Vergelijk je objectief met een raam; grote ramen laten meer licht naar binnen, terwijl kleine ramen minder licht doorlaten.

Een open diafragma laat meer licht vallen op je sensor waardoor je een heldere foto krijgt, terwijl een kleiner diafragma minder licht doorlaat.

Het diafragma wordt gemeten in f-stops; een kleine f-stop als f/1.8 is een grote opening. Een grote f-stop zoals f/22 is een zeer kleine opening. Diafragma is een van de drie camera-instellingen die de belichting van een afbeelding bepaalt, of hoe licht of donker je foto wordt.

Het diafragma beïnvloedt ook de scherptediepte. Dus hoeveel van de afbeelding bij een open diafragma resulteert in die mooie, onscherpe achtergrond terwijl kleine diafragma-openingen meer van de afbeelding scherp houden.

Diafragma geheugensteuntje

2. Al Servo of Continuous Focus

Normaal gesproken richt je de autofocus op het onderwerp en blijft de focus vergrendeld. Maar, met Al Servo of Continu autofocus blijft de autofocus zich aanpassen.

Met een ‘single shot’ autofocus-modus, zal het onderwerp niet meer in focus zijn zodra het gaat bewegen (of als de camera beweegt).

Met Al Servo of continue autofocus, blijft het autofocus systeem focuseren totdat je de foto hebt genomen, zodat het onderwerp nog steeds scherp is, zelfs als dit of als jijzelf beweegt.

Deze camera instelling is essentieel om te begrijpen als je bewegende objecten wilt fotograferen, bijvoorbeeld bij sportfotografie.

Nikon continuous canon aiservo

3. Aspect Ratio

Als je ooit hebt laten afdrukken, heb je waarschijnlijk opgemerkt dat een 15 x 20 centimeter beeld meestal gecropped (uitgesneden) is uit het originele beeld. Dat komt door de aspect ratio.

Aspect ratio is simpelweg de verhouding tussen de hoogte en de breedte. Een 10 x 15 centimeter beeld heeft een gelijke aspect ratio tot een 20 x 30, namelijk 2:3, maar een 15 x 20 (3:4) beeld is een beetje smaller.

De meeste camera’s gebruiken het 2:3 aspect ratio formaat, namelijk spiegelreflex, fullframe, 35mm en een groot aantal systeemcamera’s. De meeste compactcamera’s gebruiken een 3:4 aspect ratio.

Op het plaatje hieronder kun je zien dat de beeldverhouding van 3: 2, die wordt gebruikt door de meeste digitale spiegelreflex camera’s, iets langer is dan de 4: 3- aspect ratio. Dit lijkt misschien niet zo veel, maar het heeft grote implicaties voor je compositie.

Aspect ratio 4 3 3 2

Je kunt de aspect ratio in je camera veranderen of je kunt in de nabewerking je verhoudingen bijsnijden naar een factor 2:3, wat door de meeste printcentrales ondersteund wordt.

4. Bokeh

Onscherpte en een wazige achtergrond in de foto krijg je wanneer je deze maakt met weinig scherptediepte. Met bokeh wordt ook de kwaliteit van de onscherpe delen beoordeeld.

Het is natuurlijk altijd een kwestie van smaak, maar over het algemeen wordt een rustige bokeh meer gewaardeerd dan een onrustige bokeh.

Hoe groter onder andere het diafragma, hoe waziger de achtergrond, hoe eerder lichtpuntjes een soort lichtgevende cirkels zullen worden. Daarbij geldt dat hoe verder de lichtjes van het scherpstelpunt staan, hoe groter ze worden.

Bokeh

5. Burst Mode

Burst mode (meerdere foto’s in één keer maken) is een optie van een digitale camera, waarmee je camera foto’s achter elkaar blijft maken, zolang je je vinger op de ontspanknop houdt. Maximaal totdat de buffer vol zit. Op deze manier heb je altijd een goede foto van een bepaald moment.

Vooral gebruikt om foto’s van bewegende personen (dieren) te nemen. Burst snelheden verschillen per camera en worden uitgedrukt in in “fps” of frames (foto’s) per seconde.

High speed continuous

6. Scherptediepte

Scherptediepte (Depth of field) is simpel gezegd: het gebied dat scherp is vanaf een punt dichtbij tot een punt veraf. Scherpte in de diepte zoals de naam al suggereert.

Het punt waarop scherp is gesteld ligt altijd in dit gebied dat scherp is. Hoe groot dit gebied is zal afhankelijk zijn van een aantal factoren.

De bekendste hiervan is het diafragma. Hoe kleiner de diafragma-opening is, hoe groter het scherptegebied wordt: een grotere scherptediepte.

Er zijn echter nog twee andere factoren die de scherptediepte beïnvloeden: brandpunt en afstand. Deze twee hebben ook een grote invloed op hoe wij de scherptediepte ervaren.

Scherptediepte voorbeeld

7. Digitaal versus Optisch

Digitaal en optisch zijn belangrijke termen om te begrijpen als je een nieuwe camera gaat aanschaffen. Digitaal betekent dat het effect wordt bereikt via software, niet via fysieke onderdelen van de camera. Optisch is altijd beter dan digitaal.

Deze termen worden meestal gebruikt bij het zoomen (op een compacte camera) en beeldstabilisatie.

8. Belichting

Belichting bepaalt hoe licht of donker je afbeelding wordt. Voor een foto is een goede belichting belangrijk. Met belichting wordt niet bedoeld hoeveel licht er op de het gefotografeerde onderwerp schijnt, maar het licht dat de sensor ‘belicht’.

Een foto met een goede belichting van de sensor wordt dus niet te donker, niet te licht, maar precies goed. Om dit te bereiken moet een juiste combinatie van diafragma, sluitertijd en ISO worden gekozen. Dit wordt geïllustreerd in de belichtingsdriehoek.

Belichtingsdriehoek

9. Belichtingscompensatie

Belichtingscompensatie is een manier om je camera te vertellen dat je de belichting lichter of donkerder wilt hebben. Belichtingscompensatie kan worden gebruikt bij een aantal geautomatiseerde en semi-geautomatiseerde modi zoals diafragma-prioriteit.

Het wordt gemeten in stops van licht, waarbij negatieve cijfers zorgen voor een donkerder beeld positieve een helderder beeld creëren.

Plussen - Minnen

10. Scherpstellen / focus

Wanneer je ogen zich richten op een voorwerp dat zich dicht bij je bevindt, zullen de objecten ver weg wazig lijken. De algemene fotografieterm “focus” heeft dezelfde betekenis. Hetgeen waar je naar kijkt (waarop je focust) is scherp, terwijl de objecten waar je niet direct je blik op richt onscherp ogen.

Verschillende scherpstelvelden bepalen of de camera scherpstelt op meerdere punten of op een door de gebruiker geselecteerd punt.

Scherpstelpunten

11. Flitssynchronisatie

De flitser wordt gesynchroniseerd met de juiste sluitertijd. Het is namelijk een vereiste dat de sluiter volledig open is voordat de flitser afgaat. Bij de juiste flitssynchronisatietijd zal de lichtpuls van de flits exact op het moment vallen dat het sluitergordijn compleet is geopend.

Normaal gesproken flitst de flitser aan het begin van de foto, maar het wijzigen van de flitssynchronisatiemodus past zich aan wanneer dat gebeurt.

De flitssynchronisatiemodus van het tweede gordijn flitst bijvoorbeeld aan het einde van de foto in plaats van het begin. Vaak is de flitssynchronisatietijd 1/250e seconde. Een snellere sluitertijd kun je niet instellen als je flitst, anders krijg je een half zwart gordijn op je foto.

12. Histogram

Om zeker te weten of er geen partijen zijn over- of onderbelicht, roep je de beeldinformatie op je lcd-scherm op. De meeste camera’s tonen op het schermpje een bergvormig grafiekje; het histogram. Dit ‘berglandschap’ is opgebouwd uit alle 256 grijstinten die een foto kan bevatten en loopt van zwart (links) tot wit (rechts).

Bij een juist belichte foto moeten alle bergjes zich ergens tussen beide uitersten bevinden. Loopt het grafiekje aan de linkerzijde uit beeld, dan zijn delen van de foto onderbelicht. Loopt het rechts uit beeld, dan zijn delen overbelicht.

Het scheelt als je in RAW fotografeert, dan zijn details in zowel overbelichte witte tinten als onderbelichte (dichtgelopen) delen wel weer enigszins terug te halen.

Histogram voorbeelden

13. Hot Shoe

De Hot shoe is de (flitsvoet-) aansluiting bovenop je camera.

Hot shoe

14. ISO

De ISO bepaalt hoe gevoelig de camera is voor licht. Een ISO van 100 betekent bijvoorbeeld dat de camera niet erg gevoelig is, ideaal voor fotografie bij daglicht. Een ISO 3200 betekent dat de camera erg gevoelig is voor licht, dus je kunt die hogere ISO gebruiken om foto’s te maken bij weinig licht.

De wisselwerking is dat afbeeldingen bij hoge ISO’s korrelig lijken en minder details bevatten. ISO is gebalanceerd met diafragma en sluitertijd om een goede belichting te krijgen.

Iso geheugensteuntje

15. Lange belichting

Een lange belichting is een foto die al langere tijd wordt belicht of waarbij een lange sluitertijd is gebruikt. Deze techniek is handig voor het fotograferen van stilstaande objecten bij weinig licht of voor het weergeven van bewegende objecten in een artistieke vervaging.

Nachtfotografie met lange belichtingstijden kan behoorlijk leuke resultaten opleveren. Deze techniek wordt vaak gebruikt bij het fotograferen van sterrensporen.

Koplampen - achterlichten

16. Handmatig

In de handmatige modus kun je de belichting instellen in plaats van dat de camera dit automatisch (of halfautomatisch) doet. In het menu kies je het diafragma, de sluitertijd en de ISO, en die keuzes beïnvloeden hoe licht of donker de foto wordt.

Semi-handmatige modi zijn diafragmaprioriteit (waarbij je alleen het diafragma kiest), sluiterprioriteit (waarbij je alleen de sluitertijd kiest) en P-modus (waarbij je een combinatie van diafragma en sluitertijd samen kiest in plaats van ze individueel in te stellen).

Handmatig kan ook verwijzen naar handmatige scherpstelling of zelf scherpstellen in plaats van de autofocus te gebruiken.

Camera Modes 1

17. Lichtmeter

Het gebruik van de handmatige modus is niet alleen maar raden – een lichtmeter die in de camera is ingebouwd helpt die beslissingen te sturen, en geeft aan of de camera denkt dat het beeld over- of onderbelicht is. Lichtmeting is eigenlijk gebaseerd op een middelgrijs, zodat lichtere of donkere objecten in de afbeelding de meting een beetje kunnen verpesten.

Lichtmeetmodi geven aan hoe de meter het licht afleest. Matrixmeting betekent dat de camera het licht van de hele scène meet. Centrumgerichte meting houdt alleen rekening met wat zich in het midden van het kader bevindt en spotmeting meet het licht alleen waar je scherpstelpunt zich bevindt.

Evaluatieve -Centrumgerichte - Spotmeting

18. Ruis

Digitale ruis ontstaat bij de omzetting van licht in de sensor van de camera. Het analoge licht (fotonen) dat bij het fotografen op de sensor valt wordt hier omgezet naar een digitaal signaal (elektronen). Hoe meer licht er op elke pixel valt, hoe mooier de foto.

Kleurruis zorgt voor de bekende gekleurde stippen op je foto’s. Foto’s die bij hoge ISO-waardes genomen zijn hebben het meest last van ruis. Het is dus het beste om (indien het kan) op de laagste ISO-waarde te fotograferen.

Helderheids- kleurruis

19. RAW

RAW is een bestandstype dat je meer controle geeft over het bewerken van je foto’s. RAW wordt als een digitaal negatief beschouwd; de camera heeft er nog niet meer gewerkt.

Dat is anders bij een JPEG-bestandstype, dat gecomprimeerd wordt opgeslagen. Iedere keer dat je een JPEG-bestand bewerkt verlies je daarbij aan kwaliteit. RAW vereist nabewerking en JPEG is universeler en kan worden afgedrukt bij printcentrales.

20. Regel van Derden

Deze compositieregel suggereert dat het beeld is verdeeld in drie delen, zowel horizontaal als verticaal. Vaak resulteren de meest interessante composities in het plaatsen van het onderwerp op een van de snijpunten van die denkbeeldige lijnen, in plaats van in het midden van de foto.

Robin rule of thirds

21. Sluitertijd

De sluiter is het deel van de camera dat wordt geopend en gesloten om licht binnen te laten en een foto te maken. De sluitersnelheid is de duur van de tijd dat de sluiter open blijft, aangeduid in seconden of fracties van seconden, bijvoorbeeld 1/200 seconde of 1 “, waarbij het “-symbool vaak gebruikt wordt om een hele seconde aan te duiden.

Hoe langer de sluiter open blijft, des te meer licht er wordt binnengelaten. Alles wat beweegt terwijl de sluiter open is, vervaagt en als de hele camera beweegt terwijl de sluiter open is, is het hele beeld wazig – daarom statieven zijn nodig voor langere sluitertijden.

Sluitertijd geheugensteuntje

22. Ontspanknop

Dat is de knop die je indrukt om de foto te maken.

Ontspanknop

23. Time Lapse

Een time-lapse is een video die is samengesteld door het samenvoegen van meerdere foto’s die op verschillende tijdstippen van hetzelfde onderwerp zijn genomen. Verwar een time-lapse niet met een lange belichting, wat slechts een enkel beeld is met een lange sluitertijd.

Sterrensporen. Foto: Nando Harmsen

24. Zoeker

Dat is het ‘gat’ waar je doorheen kijkt als je een foto wilt maken. Sommige camera’s hebben er geen en gebruiken het schermpje achterop de camera om het beeld te zien. Alle spiegelreflex- en de meeste spiegelloze camera’s hebben een zoeker.

Camerazoeker - Viewfinder

25. Witbalans

Je ogen passen zich automatisch aan verschillende lichtbronnen aan, maar een camera kan dat niet. Daarom zien je foto’s er soms erg blauw of heel geel uit. Als je de juiste instelling voor de witbalans gebruikt, wordt het wit ook echt wit in de foto. Er is een automatische witbalansinstelling, maar zoals bij elke automatische instelling is deze niet altijd correct.

Je kunt een voorinstelling gebruiken op basis van het licht dat je fotografeert, zoals tl-licht of gloeilampen, of je kunt een foto maken van een wit voorwerp en de witbalans handmatig instellen.

Witbalans en kleurtemperatuur

BewarenBewaren

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.